
Het wordt warmer in de stad, dat voelen we allemaal. Meer hete dagen, langere droge periodes. Ook bomen en planten krijgen het steeds zwaarder. En toch zien we iets opvallends: bijen, vlinders en vogels doen het in veel steden verrassend goed.
Hoe zit dat?
Tijdens de communitybijeenkomst van Breda National park City op 12 februari gaf Gerard van Buiten, hortulanus (beheerder) van de Botanische Tuinen in Utrecht, een lezing en bracht een interessante vraag op tafel. Moeten we in de stad alleen planten en bomen gebruiken die hier van oudsher thuishoren? Of mogen we ook kijken naar soorten uit warmere landen, die beter tegen hitte en droogte kunnen?
Even een korte uitleg. Een plant die hier oorspronkelijk niet voorkomt, noemen we een exoot. Pas als zo’n plant andere soorten verdringt en zich ongecontroleerd verspreidt, spreken we van een invasieve exoot. Dat laatste is een probleem. Maar niet elke ‘buitenlandse’ plant is automatisch invasief.
Sterker nog: in de Botanische Tuinen ziet Van Buiten dagelijks hoeveel leven er afkomt op een grote variatie aan planten, ook uit andere delen van de wereld. Hij observeerde dat sommige exoten zelfs meer verschillende soorten insecten aantrekken dan inheemse planten.
Natuurgebieden en stedelijke gebieden: een belangrijk verschil
Belangrijk is het verschil tussen natuurgebieden en steden. In kwetsbare natuur wil je voorkomen dat exoten de balans verstoren. Maar een stad is geen heide of bos. Het is een warme, stenige omgeving waar de temperatuur al snel een paar graden hoger ligt dan daarbuiten. Veel inheemse soorten zijn gewend aan een koeler en vochtiger klimaat. Die hebben het in de stad steeds moeilijker.
Planten uit warmere en drogere gebieden doen het hier soms juist goed. Ze kunnen tegen hitte, hebben minder water nodig en zorgen voor schaduw en verkoeling. En als deze planten meer in de stad worden aangeplant, dan profiteren wij daarvan: meer groen in de straat, minder hittestress en een prettigere leefomgeving.
Ook voor de biodiversiteit - de variatie aan planten en dieren in een gebied - zijn steden belangrijker dan we vaak denken. Onderzoek naar bijen in Nederland laat zien dat steden opvallend veel soorten en aantallen bijen huisvesten. En hoe komt dat? Dankzij al jullie mooie stadstuinen, geveltuinen, boomspiegels en kleine groentetuinen. Veel daarvan bevatten planten die oorspronkelijk niet uit Nederland komen.
In de Botanische Tuinen in Utrecht zijn bijvoorbeeld 38 vogelsoorten geteld, 23 zoogdiersoorten zoals vleermuizen en hermelijnen, en talloze bijen-, vlinder- en paddenstoelensoorten. Dat alles in een omgeving met veel uitheemse planten.
Variatie en balans tussen verschillende soorten
Dat betekent niet dat we massaal voor de mooist bloeiende exoten moeten kiezen in het tuincentrum, het mag een goede mix zijn van inheems en uitheems. Balans blijft belangrijk. En wil je bijen, vlinders en andere bestuivende insecten helpen? Kies dan voor biologische planten; gekweekt zonder bestrijdingsmiddelen.
De belangrijkste boodschap van de avond was geen pleidooi voor méér of minder van het één of het ander. Wel een oproep tot nuance. Niet alles wat van ver komt is een bedreiging en niet alles wat hier van oudsher groeide, kan het klimaat van de toekomst aan.
Als we willen dat onze stad groen én leefbaar blijft, moeten we misschien minder zwart-wit denken. En vooral blijven kijken: wat werkt hier, op deze plek, onder deze omstandigheden?
De stad als levend ecosysteem. Dat vraagt om gezond verstand, nieuwsgierigheid en een open gesprek.
Wil je meer over dit onderwerp weten? Gerard tipte ons om te kijken naar de film ‘The British Garden: Life and death on your lawn’ (te zien op Netflix) en de korte video ‘Biodiversity at Great Dixter’.